zondag 12 november 2017

Snoep en eieren

Sint Maarten, ik hou ervan. Als kind al. En sinds ik (stief)moeder ben weer. De liedjes, de zelf geknutselde lampionnen en de verwachtingsvolle gezichten als het snoep tevoorschijn wordt gehaald. Maar dit jaar had ik de Sint Maarten-blues. Zowel kleine man als middelste liepen het op de dijk, allebei uit logeren bij vriendjes. Oudste had ook plannen en lief was haar chauffeur. Van hockey naar huis naar logeerbestemming. Ik zou de kroeg in gaan, maar wilde nog even thuis zijn voor Sint Maarten. De bak met snoep was gevuld en het buitenlampje brandde.

Hoewel ik de trap op en neer blijf lopen - de bel gaat meestal als ik net weer op de bank wil gaan zitten - geniet ik van de liedjes, de zelf geknutselde lampionnen en de verwachtingsvolle gezichten als ik het snoep tevoorschijn haal.

Net wanneer ik denk dat alle kinderen nu wel naar huis zijn, wordt er aangebeld. Door het smalle raam naast onze deur zie ik een jongen staan. Een jaar of twaalf. Ik doe de deur open en het blijken een stuk of vijf jongens. Zonder lampionnen, tassen al geopend en blik op bijdehand. "Ik zie het al, geen lichtjes, maar wel zin in snoep. Dan moeten jullie tenminste een liedje zingen", spreek ik ze toe. En terwijl ze 11 november inzetten, komt er nog een groep jongens bij de deur staan. Zwarte hoodies, schreeuwend. Terwijl ik ze vraag of het wat rustiger kan, houd ik ze de bak met snoep voor. Een vervelende gast die het meest kabaal maakt, pakt een reep uit de bak en smijt vervolgens het lege papiertje weer terug. Als ik hem vraag of hij dat niet wil doen, gooit hij een doosje met smarties naar me. Ik zet een stap naar voren en terwijl ik vraag of hij dat normaal vindt, rent hij het tuinpad af de straat op. Ik voel de woede in me opborrelen als ik hem achterna loop en zeg te blijven staan. Op een afstand scheldt hij me uit. Ik vertel hem dat hij duidelijk niet opgevoed is. Het hele groepje lacht en blijft op afstand. Als ik mijn huis weer inloop, hoor ik een harde knal tegen ons raam. En nog een.

Behalve snoep, hadden ze ook eieren in hun tassen. Vast al van plan om ruzie te maken en rottigheid uit te halen. Gewoon omdat. Maar het is niet gewoon, denk ik, terwijl de jongens nog voor ons huis blijven staan. Ik kijk naar buiten en zie ze een vuurtje maken tegen het hek van het schoolplein. Ik bel de politie maar tegen de tijd dat ze er zijn, hebben de jongens zich al uit de voeten gemaakt. Joelend. Lachend. Want voor niets of niemand bang.

De politie vertelt dat het elk jaar raak is en rijdt nog een rondje. De jongens zijn allang verdwenen, in anonieme huizen waar ouders het niet weten of het niet meer weten. Ik ben boos en verdrietig. Omdat het verder gaat dan kattenkwaad. Het is kwaadaardig. Jongens die het niets kan schelen. Als een sliert fabrieksrook weten ze de sfeer in onze wijk aan te tasten. Een spoor van plastic en blikjes achterlatend. Scheldend omdat ze geen andere woorden tot hun beschikking lijken te hebben. Trappend naar elkaar en naar de wereld.

Ik ben verdrietig omdat er al buren zijn verhuisd - op zoek naar rust - en ik ben boos omdat er bij andere buren een camera hangt voor de buitendeur. Niet gewoon. Toch gebeurt het, gewoon in onze buurt.

dus schop ik ze weer uit mijn hoofd en pluk de lege chipzakjes uit onze heg.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Negen

We vierden het alvast op woensdag, omdat ze donderdag gingen rijden, de vrienden waarmee we vakantie in Portugal vierden. Dat had jij bedach...